Burgers en Stoommachines

1800 tot 1900 n. Chr.

organisatie
In 1810 komt met de Franse overheersing een nieuwe bestuursorganisatie volgens het toen geldende model, waarbij de rechtspraak en waterstaatsbestuur afgesplitst worden en de gemeente min of meer zijn huidige functie krijgt. Na het vertrek van de Fransen in 1814 wordt Willem I soeverein vorst over de Nederlanden. In 1815 aanvaardt hij het koningschap. Ons land omvat van 1815 tot 1830 ook de Zuidelijke Nederlanden, het tegenwoordige België. Het Koningsduin en het Koningsbosch bij Bakkum zijn vernoemd naar koning Willem I die in 1829 het gebied ter ontginning aankoopt en hier een grootschalig ontginningsproject laat uitvoeren om de uitgestrekte duinvalleien voor landbouw en veeteelt geschikt te maken.

industrialisatie
In 1839 wordt de eerste spoorlijn in Nederland geopend. Ondanks aanvankelijke scepsis luidt de eerste trein een tijdperk in van enorme verandering. Voor de komst van het spoor is reizen bijzonder tijdrovend, voor de meeste mensen duur, en soms zelfs gevaarlijk. De verbeterde verbindingen en het reisgemak hebben veel bijgedragen tot de eenwording van Nederland: mensen uit verschillende streken kregen meer contact en de staat kon het nationale territorium beter organiseren. Het spoorwegennet is een voorwaarde voor de industrialisatie van Nederland, die pas na 1870 goed van de grond kwam. Grondstoffen, producten en ook arbeiders moeten immers vervoerd worden. De Zanderij, het open, vlakke bollenteeltgebied ten westen van Castricum tussen de spoorbaan en het Noord-Hollands Duinreservaat, ontstaat als gevolg van de zandwinning voor de aanleg van de spoorlijnen.
De historische bebouwing in Castricum is een goede weerspiegeling van de economische ontwikkeling van de gemeente. De economische ontwikkeling is hier voor een belangrijk deel grondgebonden. De specifieke agrarische bebouwing van de bloembollenteelt is vooral te vinden op de zandgrond terwijl de overige agrarische bedrijven en daarbij behorende bebouwing vooral zijn geconcentreerd in het veengebied rondom het Alkmaardermeer. In de kernen is er daarnaast van oudsher sprake van dienstverlenende bedrijven ten bate van de agrarische bedrijven. Het gaat hierbij veelal om kleine(re) familiebedrijven. Veel van deze bedrijven hebben de gevolgen ondervonden van de voortgaande schaalvergroting en zijn intussen verdwenen. Vaak resteert alleen nog de typische bebouwing van de gecombineerde winkel en woning.

infrastructuur
Vanwege de drassigheid van het gebied achter de strandwallen verloopt het goederen- en personenvervoer door Noord-Holland van oudsher grotendeels over de natuurlijke waterwegen die ruim voorhanden waren en over de trekvaarten die in de zeventiende eeuw op initiatief van de grotere steden zijn gegraven. Pas in de Franse tijd begint de verharding van de belangrijkste doorgaande wegen, een project dat na 1814 onder koning Willem I werd voortgezet. Tussen 1819 en 1824 wordt het ‘Groot Noord-Hollandsch Kanaal’ aangelegd, de nieuwe verbinding voor grote zeeschepen tussen de haven van Amsterdam en Den Helder.

Na 1880 openen particuliere tramwegmaatschappijen de eerste stoomtramlijnen. De trams stoppen overal waar geen halteplaats van de spoorlijn is en brengen ook vanuit kleinere dorpen allerlei bestemmingen binnen handbereik. Haarlem en Alkmaar worden een knooppunt van tramverbindingen, naar de dorpen in de omgeving, de steden in het westen en naar de kust. Van 1897 tot 1923 rijdt de stoomtram Haarlem-Alkmaar door de Dorpsstraat in Castricum en de Rijksstraatweg in Limmen. Vanaf het station Castricum verzorgt vanaf 1914 een paardentram, later vervangen door elektrische tractie, het vervoer naar ‘Duin en Bosch’.

In 1867 wordt het station in Castricum geopend. De spoorlijn is pas echt af als Amsterdam CS in 1889 bereikbaar is. Ondanks de spoorwegverbinding met Amsterdam en Haarlem wordt Castricum pas veel later als vestigingsplaats ontdekt. Daarnaast is er van 1864 tot 1950 een geregelde stoombootdienst op de lijn Alkmaar-Zaandam-Amsterdam. Deze lijndienst is voor Akersloter bevolking van groot belang.

kusttoerisme
In de tweede helft van de 18e eeuw raakt de van oorsprong Engelse gedachte dat frisse lucht en zeewater goed waren voor de gezondheid wijdverspreid. Ook in Nederland slaat dit idee aan. Veel vissers moeten letterlijk plaatsmaken voor toeristen. Tegelijkertijd oefenen juist vissersboten en bewoners in traditionele klederdracht een grote aantrekkingskracht uit op toeristen en kunstschilders. In de 19e eeuw bezoeken vooral welgestelden badplaatsen. Ook de elektrische tram tussen Amsterdam en Zandvoort brengt veel vakantiegangers en dagjesmensen naar het strand. Naast Zandvoort als grote badplaats groeien Wijk aan Zee, Egmond en later Castricum uit naar rustige familiebadplaatsjes. Eind jaren twintig van de vorige eeuw begint de opkomst van Castricum als vakantieoord pas echt goed. In vergelijking met andere dorpen die aan zee en aan de duinen liggen, is dat aan de late kant. Belangrijke oorzaak is dat de duinen in handen zijn van grootgrondbezitters, die hun terreinen voor het publiek gesloten houden. Ook de weg naar het strand is tot dan toe nauwelijks begaanbaar. In 1925 wordt pas de verharde Zeeweg geopend. In de Tweede Wereldoorlog komt er een abrupt einde aan het ontstane toerisme, daarna bloeit het weer op.

eerste camping
De geschiedenis van de eerste camping van Nederland in Bakkum gaat terug tot 1914, als een Duitse prinses twintig mensen toestemming geeft hun tentje op haar landgoed op te slaan. Na de dood van de prinses komt het beheer van de camping via de provincie in handen van PWN. Volgens de overlevering staat in het testament van de prinses dat het ‘sociale karakter’ van de camping behouden moet blijven. De kampeerders zijn van meet af aan vooral arbeiders uit Amsterdam en de Zaanstreek.

zuiver water en frisse lucht
Sinds de tweede helft van de 19e eeuw leggen artsen voor het eerst verband tussen slechte waterkwaliteit in de steden en het ontstaan van ziekten en epidemieën. Men komt op het idee om schoon water uit de duinen naar de stad te leiden. Daarmee begint een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de duinen: het snel groeiende gebruik als waterwingebied. Zo kunnen ook de mensen in de stad gebruik maken van schoon drinkwater. Maar al snel komt de keerzijde van de intensieve waterwinning aan het licht. De natuurlijke waterreserves onder de duinen lopen terug, het grondwaterpeil daalt en het kwetsbare duingebied begint te verdrogen. Sinds eind jaren ’50 wordt daarom voorgezuiverd water uit de grote rivieren en het IJsselmeer in het duinzand gepompt en na natuurlijke filtering weer gebruikt voor de drinkwatervoorziening.

Naast zuiver water heeft de duinstreek een tweede troef die rond het midden van de negentiende eeuw in de belangstelling komt. De frisse zeelucht leent zich volgens de nieuwe inzichten bij uitstek voor de behandeling van patiënten met besmettelijke aandoeningen als tuberculose en voor de verpleging van geesteszieken. Ver van de bewoonde wereld kunnen rust, reinheid en regelmaat hier in combinatie met gezonde zeelucht en zonnebaden bij de patiënten hun heilzame werk doen. Voor psychiatrische patiënten komen er gestichten zoals Duin en Bosch, het huidige GGZ Dijk en Duin bij Castricum. Het zijn bijna zelfstandige werelden met paviljoens, eet- en slaapzalen, keukens, wasserijen, ligruimtes, kantoren, zusterhuizen en dienstgebouwen. De patiënten worden er volgens de modernste inzichten verpleegd zonder geweld en dwangmiddelen. Ze kunnen er wandelen, tuinieren, gymnastieklessen volgen of een ambacht leren in de werkplaatsen.