Verbouwers en veranderingen

5.300 v. Chr. tot 2.000 v. Chr.

neolithicum
Na een warme en natte periode aan het einde van het Mesolithicum verandert het klimaat. Het wordt droger en de temperatuur daalt langzaam tot onze huidige waarden. Het stabielere klimaat en belangrijke vernieuwingen in de landbouw en veeteelt zorgen voor een aantal grote veranderingen in de leefwijze van de Neolithische mens.

revolutie
In het Midden-Oosten is men al duizenden jaren eerder begonnen met
het verbouwen van gewassen en het houden van dieren. Tijdens het Neolithicum bereikt deze nieuwe manier van voedselproductie ook Nederland. Vanaf ongeveer 5300 v. Chr. gingen de jagers en vissers geleidelijk aan over op landbouw en veeteelt. Zij stichtten kleine nederzettingen waar ze langere tijd bleven wonen. Voor de bouw van deze woonplekken kozen ze hooggelegen locaties uit, bijvoorbeeld oeverwallen of strandwallen. Hier hadden ze minder last van overstromingen. Men migreert niet langer met de seizoenen mee, maar blijft het hele jaar op één plek wonen. Ze kappen bomen om akkers aan te leggen. Deze mensen worden gerekend tot de klokbekercultuur. In de gemeente is het specifieke, klokvormige aardewerk dat deze mensen maakten gevonden.
Langs de kust bij Castricum ontstaan verschillende, parallel naast elkaar gelegen lage duinen, de strandwallen. Vanaf in ieder geval 2500 v. Chr. worden de hogere strandwallen langs de monding van het Oer-IJ bewoond. Prehistorische bewoners bouwen hier, hoog en droog, hun eerste nederzettingen. De eerste boeren wonen vaak meerdere generaties lang in huizen op dezelfde plek. Deze huizen zijn opgebouwd uit een geraamte van gekloofde stammen en planken met vlechtwerkmuren besmeerd met leem en een dakbedekking van stro. De bewoners leven van eenvoudige landbouw en veeteelt, aangevuld met wat de jacht en de visvangst oplevert. Hun akkers liggen op de strandwallen. Later krijgen deze akkers de naam ‘geesten’. De gewassen worden geoogst met behulp van vuurstenen sikkels. Hierna wordt de oogst opgeslagen op de zolders van de huizen of in ondergrondse kuilen op het erf. De lage strandvlakten en vochtige duinvalleien tussen de strandwallen komen goed van pas als hooi- en weiland.
Hoe ze zichzelf noemden, deze pioniers van de Noord-Hollandse kust, zullen we nooit weten. Er bestaan geen geschreven bronnen over dit gebied van voor de Romeinse tijd.