Friese koninkrijk

450 tot 1.000 n. Chr

nieuwe mensen
In de tweede helft van de zesde eeuw neemt de bevolking merkbaar toe. Het gaat om migranten die oorspronkelijk uit Noord-Duitsland, Denemarken en mogelijk Engeland afkomstig zijn. Deze mensen heetten voor hun verhuizing de Angelen en Saksen. Zij mengden zich met de Friezen die hier nog aanwezig waren en werden als groep gewoon weer de Friezen genoemd. Deze mensen leefden van de handel.

handel
De Friezen bevoeren de Noord- en Oostzee en domineerden de handel in dat hele gebied. Friese koningen beheersten het kustgebied en leverden strijd met de Franken om de macht. Waarschijnlijk hadden verschillende Friese koningen tegelijkertijd de macht. Archeologische vondsten van import aardewerk en zilveren munten (zogenaamde sceatta’s) bewijzen dat de bewoners volop handel dreven. De Friezen waren zo dominant in de handel rondom de Noordzee, dat het begrip ‘Fries’ in diverse talen tot na het jaar 1000 nog synoniem was aan ‘handelaar’. De huidige gemeente Castricum maakte deel uit van dit grote Friese handelsnetwerk. Via de Rijn of het Almere (zoals het IJsselmeer toen heette) konden handelaars het gebied bereiken. Een nederzetting als Limmen kan heel goed een oevermarkt hebben gehad. Akersloot had via aanliggende meren een open verbinding met de Zuiderzee, waardoor visvangst een belangrijke inkomstenbron was. Daarnaast werd handel gevoerd in zout, kalk en kaas. Uiteindelijk is de Friese handel ten onder gegaan toen de Vikingen (Noormannen) vanaf de negende eeuw hun handelsroutes overnamen.

geloof
Aan de oude heidense tradities kwam een einde met de komst van missionarissen als Willibrord en Bonifatius. Zij wilden het christendom verspreiden. De Friezen streden echter met de Franken, die in het aangrenzende gebied leefden en al eerder het christelijke geloof hadden aangenomen. De lokale adel beschouwde de missionarissen als Frankische handlangers en hield vast aan oude gebruiken en goden. De missionarissen verboden heidense rituelen en verordonneerden dat de doden voortaan bij een kerk begraven werden. Ze kapten heilige bomen en bouwden (houten) kerkjes op de plek van oude heiligdommen, bijvoorbeeld in Limmen en Castricum. Aan het eind van de achtste eeuw hadden de missionarissen hun doel bereikt en was het nieuwe geloof in de kuststreek aan de winnende hand, mede dankzij de wapens van de Franken.