Frisii en Romeinen

19 v. Chr. tot 450 n. Chr.

rare jongens die Romeinen
De eerste beschrijving van het lage land aan de Noordzee komt van de Romeinen. Vlak voor het begin van onze jaartelling breiden zij de grenzen van hun uitgestrekte rijk uit. In het noorden reikt het nu tot aan de grote rivieren. Langs de zuidoever van de Rijn die toen bij Katwijk in zee stroomde, legt de nieuwe machthebber een sterke linie van forten. Het gebied dat daarboven langs de Noordzeekust loopt noemden zij ‘Frisia’ en de Germaanse stammen die er leven ‘Frisii’. Volgens de Romein Plinius leven deze Friezen merendeels in koude, zompige moerassen. Pogingen om het weinig uitnodigende gebied helemaal te controleren zijn niet erg succesvol. Toch moeten de Friezen jaarlijks een aantal runderhuiden aan de Romeinen betalen.

militaire versterkingen
Bij Velsen, op de zuidoever van het Oer-IJ, bouwen de
Romeinen hun meest noordelijke versterking, het havenfort Castellum Flevum. De dagelijkse benodigdheden en levensmiddelen moet het garnizoen grotendeels hebben weggenomen van de lokale bevolking. Als vooruitgeschoven post in Germaans gebied houdt Castellum Flevum maar kort stand. Opstandige Friezen koelen in 28 n. Chr. hun woede op het fort en het Romeinse garnizoen, omdat een nieuwe Romeinse bestuursambtenaar een hogere opbrengst aan runderhuiden eist. Honderden loden slingerkogels zijn bij opgravingen gevonden. Zij getuigen van de verbeten strijd die rond het fortterrein werd uitgevochten. Een groot aantal Romeinen vindt hierbij de dood. Bijna tien jaar later bouwt men dichtbij een tweede fort, door archeologen ‘Velsen II’ genoemd. Maar al rond 47 na Christus zien de Romeinen af van verdere pogingen tot onderwerping van het Friese gebied. Zij trekken zich definitief terug achter de Oude Rijn.

handel
Na de slag bij Castellum Flevum mijden de Romeinen en Friezen elkaar geruime tijd. Pas halverwege de tweede eeuw beginnen de Friezen en de Romeinen vreedzame contacten te onderhouden. Van 150 tot 250 na Christus voeren ze volop handel met elkaar. Ook treedt een flink aantal mannen in dienst bij het Romeinse leger. Het grondgebied van het huidige Castricum is in de eerste eeuwen relatief dicht bevolkt. De bewoners zijn grotendeels zelfvoorzienend. Zij bakken hun eigen aardewerk voor dagelijks gebruik en weven hun eigen kleding. Producten als moerasijzer, huiden en wol ruilen ze voor Romeins aardewerk, bronzen voorwerpen of muntgeld. Ook luxe producten als glas vinden zo hun weg naar de inheemse nederzettingen. De handel stokt pas als de Romeinen halverwege de derde eeuw door invallen van nieuwe Germaanse stammen in het oosten en noorden hun militaire aanwezigheid langs de Oude Rijn moeten opgeven.
Bij opgravingen op het terrein ‘De Boogaert’ zijn twee vindplaatsen uit de Romeinse Tijd ontdekt. Beide vindplaatsen zijn in de tweede en derde eeuw te dateren. De vindplaatsen maken deel uit van een nederzettingscomplex binnen een 800 m lange strook die loopt vanaf “De Boogaert” tot aan de Oosterbuurt. Hierbinnen zijn vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw ongeveer dertien vindplaatsen uit de Romeinse Tijd aangetroffen. Er worden vooral sporen aangetroffen van woonstal-boerderijen. Ook waterputten en aardewerken potten zijn hier opgegraven.

Hilde
Na 250 neemt de bevolking van het Oer-IJ gebied in rap tempo af. Lange tijd hebben archeologen zelfs gedacht dat de streek een paar eeuwen verlaten was. De vondst van Hilde werpt echter een ander licht op de zaak. Hilde leefde in de vierde eeuw in de omgeving van Castricum. Haar skelet is door archeologen teruggevonden tijdens een grote opgraving in 1995. Aan de hand van haar schedel is een reconstructie gemaakt van haar gezicht. Hoe Hilde is gestorven is een raadsel. Ze is niet op een grafveld begraven, maar ze lag op een afgelegen plek, op haar buik in een kuil. Ze was een Friezin, levend in een tijd die wij nu als heidens omschrijven. Doordat de handel met de Romeinen afgelopen was, is een deel van de bevolking weggetrokken. Het is ook de tijd van de Grote Volksverhuizing en overal in Europa waren mensen op drift.

heidense rituelen en water
De Friezen die in het huidige Castricum woonden, kenden niet één God maar vele goden. De Friezen waren boeren en leefden in harmonie met hun omgeving en de seizoenen. Handelingen die wij ritueel noemen waren voor hen alledaags. De meeste hadden te maken met het bezweren van de natuur: men hoopte op voldoende zon en regen, op veel kalveren en goede oogst. Het grootse verschil tussen de Friezen en de latere Christenen is dat er bij de Friezen geen scheiding werd ervaren tussen het aardse en het bovenaardse. De aanwezigheid van goden en voorouders zien zij overal om zich heen. Water speelt een belangrijke rol in het mystieke leven van de Friese boeren. Ze vereren heilige bronnen en leggen offergaven in poelen, kreken en waterputten.